H'adieth van de Maand---Maart 2011

 
H'adieth van de Maand - Maart 2011
 

Imaam Ah'mad leverde over dat Mah'moed ibn Labied zei dat de boodschapper van Allah (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) gezegd heeft: “Wat ik het meeste vrees voor jullie is de kleine shirk (afgoderij).” Zij zeiden: “Wat is de kleine shirk, O boodschapper van Allah!” Hij zei: “Ar-Riyaa-e (te koop lopen met je daden, indruk proberen te maken op mensen etc.). Allah zal zeggen op de Dag der Opstanding, wanneer de mensen beloond of bestraft worden voor hun daden: ‘Ga naar degene tegenover wie je indruk wilde maken in de wereld en zie of je enige beloning bij hem vindt.'”

Dus denk aan je intentie! (Zie H'adieth van de Maand - augustus 2009 m.b.t. de intentie.)

Eén van de voorwaarden voor acceptatie van een goede daad, is dat de uitvoering van de daad vrij moet zijn van pronken. Een andere voorwaarde is dat de uitvoering van de daad in het kader van de Soennah moet zijn (m.a.w. daarmee in overeenstemming zijn). De persoon die daden van aanbidding uitoefent om gezien te worden door andere mensen is een moeshriek en zijn daad is onaanvaardbaar. Allah (Glorieus en Verheven is Hij) zegt: “Waarlijk, de hypocrieten trachten Allah te misleiden, terwijl Hij hen misleid. En wanneer zij opstaan voor as-salaah (het gebed) staan zij laks op (en) om door de mensen gezien te worden (niet voor Allah). En zij hebben Allah slechts weinig in gedachten.” [Soerat an-nisaa-e (4), aayah 142.]

De persoon die eveneens een goede daad doet zodat het nieuws andere mensen zal bereiken, is ook in de zonde van shirk gevallen. De bestraffing voor degene die dit doet, is overgeleverd in de h'adieth verhaald door Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden zijn met hem en zijn vader), waarin de profeet (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) heeft gezegd: “Eenieder die dingen doet om gezien en gehoord te worden door anderen, Allah zal zorgen dat hij zal worden gezien en gehoord als een voorbeeld voor anderen.” (Overgeleverd door Moeslim, 4/2289.)

Ieder die enige daad van aanbidding doet omwille van Allah en andere mensen, zijn daden zullen eveneens onaanvaardbaar zijn, zoals is vermeld in de h'adieth qoedsi: “Ik ben zo Zelfgenoegzaam dat Ik het niet nodig heb dat er iemand met Mij wordt geassocieerd. Dus als iemand een daad doet zowel terwille van iemand anders als van Mij, dan doe Ik afstand van die daad aan degene die hij met Mij vergeleek.” (Overgeleverd door Moeslim, nr. 2985.)

Het kan gebeuren dat een persoon aan een daad begint omwille van Allah en dan de drang over hem komt om te pronken. Als hij weerstand biedt, zal zijn daad nog steeds worden aanvaard, maar als hij graag toegeeft, zal (naar de mening van de meeste geleerden) zijn daad onaanvaardbaar zijn.

“Zeg (O Moh'ammed): ‘Zullen wij jullie vertellen over de grootste verliezers betreffende (hun) daden? Degenen wier inspanningen in het wereldse leven verloren zijn geraakt terwijl zij dachten dat zij goed deden.'” [Soerat al-Kahf (18), aayah 103-104.]

D.w.z. degenen die trots zijn op hun daden in dit leven en die nu ontdekken dat hun werken totaal niet baten. Hun verlies is groter omdat zij misplaatst vertrouwen hadden in hun eigen daden of in de hulp van valse “beschermers”.

Voor de acceptatie van rechtschapen daden is het noodzakelijk dat de volgende twee basisvoorwaarden aanwezig zijn: (1) ikhlaas – oprechtheid, de intentie moet zijn dat men deze daden volledig omwille van Allah de Verhevene verricht en niet om op te vallen of enig werelds gewin te verwerven in de vorm van geld of eer etc., (2) een dergelijke daad dient verricht te worden in overeenstemming met de Soennah van Allah's boodschapper, Moh'ammed ibn ‘Abdoellaah (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) , de laatste der profeten en boodschappers. ‘Aa-ishah (moge Allah tevreden zijn met haar) verhaalde dat Allah's boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) gezegd heeft: “Als iemand iets innoveert wat niet aanwezig is in onze religie (de Islaam), dan zal dat ding (die daad) verworpen worden.” (Sah'ieh' al-Boekhaarie, 3/2697.) [Lees ook het artikel Het verbod op innovaties (bid'ah).]

Een goede daad verrichten en kenbaar maken aan anderen met de intentie om hen aan te moedigen dit ook te doen, valt hier niet onder. Zie H'adieth van de Maand - November 2010.