H'adieth van de Maand---Mei 2010

 
H'adieth van de Maand - Mei 2010
 

Als inleiding van de h'adieth van de maand mei 2010 halen we een vers uit de Edele Qor-aan aan, namelijk vers 94 van soerat al-An'aam (6): “(Allah de Verhevene zal op de Dag der Opstanding zeggen:) En werkelijk, jullie komen één voor één tot Ons, zoals Wij jullie de eerste keer schiepen. En jullie hebben hetgeen Wij jullie gegeven hebben achter jullie ruggen achtergelaten. (A) En Wij zien jullie bemiddelaars, degenen waarvan jullie beweerden dat zij deelgenoten (van Allah) waren, niet bij jullie. Werkelijk, (de relaties) tussen jullie zijn afgesneden (B) en hetgeen jullie beweerden (qua valse geloofsovertuigingen en ideologieën) is van jullie afgeweken (C)."

(A) In de Sah'ieh' is overgeleverd dat Allah's boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) gezegd heeft (en nu volgt de h'adieth van de maand mei 2010):

“De zoon van Adam (de mens) roept: ‘Mijn geld! Mijn geld!' Maar heb jij, O zoon van Adam, iets van jouw geld behalve hetgeen jij eet, aldus is het uitgegeven, of hetgeen jij draagt, aldus is het versleten, of hetgeen jij gaf als liefdadigheid, aldus blijft dit over (in het verslag van goede daden) [of: aldus heb jij dit vooruit gezonden (om in het Hiernamaals de beloningen ervoor te ontvangen)]? Anders dan dat, jij zult vertrekken (overlijden) en het voor de mensen achterlaten.”

De profeet (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) herinnert ons in deze h'adieth aan het feit dat al ons geld in werkelijkheid slechts op drie manieren gebruikt wordt. Ten eerste, het voedsel dat we eten, en dit zal uiteindelijk omgezet worden in afvalproducten. Ten tweede, de kleren die we dragen, en dit zal uiteindelijk verslijten en onbruikbaar worden. Ten derde, het geld dat uitgegeven wordt omwille van Allah, en dit is het enige deel wiens voordeel blijvend is en tot ons terug zal keren.

Denk niet dat als je iets weggeeft omwille van Allah, dat je dat kwijt bent of dat het weg is: integendeel!

Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie van de betekenis): “De gelijkenis van degenen die hun bezittingen uitgeven op Allah's weg (omwille van Allah) is als de gelijkenis van een graankorrel; het brengt zeven aren voort, in elke aar honderd graankorrels. En Allah vermenigvuldigt voor wie Hij wil. En Allah is Waasi'a (Alomvattend), ‘Aliem (Alwetend).” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 261.]

De profeet (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) vroeg (aan ‘Aa-ishah) hoeveel er over was van een schaap dat zij geslacht hadden, en toen zij hem vertelde dat alleen de schouder over was, antwoordde hij: “Alles ervan is over behalve de schouder.” [Verhaald door ‘Aa-ishah (moge Allah tevreden zijn met haar), overgeleverd door at-Tirmidzie, die zei dat het sah'ieh' (authentiek) is.] D.w.z., alles wat je weggeeft omwille van Allah de Verhevene blijft van jou en zul je in het Hiernamaals terugvinden, zelfs vele malen meer, en alles wat je nu houdt zul je in het Hiernamaals niet meer hebben.

Dus wat voor nut heeft het voor een persoon om begerig te kijken naar en zich te verkneukelen in ‘zijn geld' en er trots op te zijn, hoewel er in werkelijkheid zo weinig van uitgegeven is op een manier die eeuwigdurend voordeel geeft? Vanwege deze factoren herinnerde de profeet (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) de mens dat rijkdom niet verhoudingsgewijs is ten opzichte van de hoeveelheid materialistische bezittingen die iemand heeft. Ware rijkdom is het tevreden zijn met wat je hebt en het vervolgens gebruiken om te streven naar de eeuwigdurende beloning van het Hiernamaals.

De profeet (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) heeft gezegd: “Rijkdom is niet in de hoeveelheid bezittingen (die iemand heeft), integendeel, ware rijkdom is de rijkdom van jezelf (of tevredenheid).” (Overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.)

(B) Alle relaties en banden die zij (de afgodenaanbidders en hun leiders) onderling hadden, evenals de beweegredenen en doelen waarop de aanhangers hun hoop baseerden toen zij de leiders volgden, worden op de Dag des Oordeels afgesneden (verbroken) en komen te vervallen, zodat zij niets en niemand meer hebben waarop zij terug kunnen vallen.

C) De ziel wordt nu geconfronteerd met de werkelijkheid; hij staat daar zonder zijn bezittingen, verwanten, wereldse macht, veronderstelde deelgenoten (van Allah) etc. – men staat daar alleen, met niets behalve zijn geschiedenis: de daden die hij verworven heeft.