Artikelen---Zij zijn de hoogvliegende kraanvogels

 

Zij zijn de hoogvliegende kraanvogels

 

M.b.t. de duivelsverzen.

Door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah
Uit het maandblad “Wij Moslims”, editie april 2011
welwillend ter beschikking gesteld door Uitgeverij Momtazah (www.momtazah.net)

Alle lof is voor Allah, de Heer der werelden, en vrede en zegeningen zijn met de profeet, zijn familieleden, metgezellen en eenieder die hun voetstappen volgt. Voorts.

Ibn Kethier zegt in zijn Tefsier: “De Qor-aan heeft een wonderbaarlijke aard welke niet nagemaakt kan worden. Niemand kan iets voortbrengen dat lijkt op de Qor-aan, noch tien soewar (hoofdstukken), niet eens één vergelijkbare soerah. De eloquentie, precisie en bevalligheid van de Qor-aan kunnen van niemand afkomstig zijn behalve van Allah. De belangrijke en talrijke principes en betekenissen in de Qor-aan – die van grote waarde zijn voor zowel deze wereld als voor het Hiernamaals – kunnen van niemand afkomstig zijn behalve van Allah.”        

Allah de Verhevene zegt: “En als jullie (O Arabische heidenen, joden en christenen) in onzekerheid verkeren betreffende hetgeen Wij aan Onze dienaar (Moh'ammed) hebben neergezonden (d.w.z. de Qor-aan), breng dan een soerah (hoofdstuk) voort dat daaraan gelijk is en roep jullie getuigen (aanhangers en helpers) naast Allah op, als jullie oprecht zijn. Maar als jullie dat niet doen, en jullie kunnen dat nooit doen, vrees dan het Vuur (de Hel) waarvan mensen en stenen de brandstof zijn, gereedgemaakt voor de ongelovigen.” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 23-24.]

Dit wil zeggen dat zij nooit in staat zullen zijn – alleen of in groepen – deze uitdaging te beantwoorden. Dit is een ander wonder omdat Allah de Verhevene duidelijk aangeeft dat de Qor-aan nooit ontkracht of betwist kan worden door iets gelijkwaardigs, zonder twijfel, voor eeuwig. Dit is een waarachtige uitspraak welke tot op de dag van vandaag niet is veranderd en ook nooit zal veranderen. Hoe kan iemand in staat zijn om iets gelijkwaardigs aan de Qor-aan voort te brengen, terwijl de Qor-aan het Woord van God is, Die alles schiep? Hoe kunnen de woorden van het geschapene ooit gelijkwaardig zijn aan de Woorden van de Schepper? (Er zijn nog 4 andere verzen die deze uitdaging afkondigen, namelijk 10:38, 11:13, 17:88 en 52:34.)

Allah de Verhevene zegt ook in de Qor-aan: “Overwegen zij de Qor-aan dan niet zorgvuldig? En als het van iemand anders dan Allah geweest zou zijn, zouden zij daarin veel tegenstrijdigheden aantreffen.” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 82.]

Waarlijk, de Qor-aan bevat geen enkele tegenstrijdigheid. En als een overijverige zoeker naar fouten dan toch iets heeft gevonden waarvan hij denkt dat het tegenstrijdig is, zal na nader onderzoek en met de juiste tefsier (uitleg, interpretatie) blijken dat hij het verkeerd begrepen heeft en dat het toch volledig met elkaar in overeenstemming is.

Dus wat blijft er over om het laatste geopenbaarde Boek van God te kraken!? Aangezien de slachtoffers van satan, de haters van waarheid, zedelijkheid en hoge moreel, de Qor-aan niet kunnen weerleggen, hebben zij toevlucht gezocht naar het verzinnen van leugens om de Qor-aan in diskrediet te brengen. Een voorbeeld hiervan zijn de zogenaamde “Duivelsverzen”, een favoriet onderwerp van vele oriëntalisten.

Met de duivelsverzen worden die verzen bedoeld die Moh'ammed (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) in eerste instantie zou hebben uitgesproken, maar die later zouden zijn vervangen. De bedoelde verzen zouden niet overgebracht zijn door de engel Djibriel (Gabriël) (vrede zij met hem), maar zouden door Iblies - de shaytaan (satan, de duivel) - op de tong van Allah's boodschapper (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) gelegd zijn. Zij zouden gevolgd zijn op vers 19 en 20 van soerat an-Nadjm (53), waar al-Laat, al-‘Oezzaa en Manaat vermeld worden, drie zeer populaire afgodsbeelden die door de heidense Arabieren vereerd werden: “Hebben jullie (O afgodenaanbidders) dan nagedacht over al-Laat en al-‘Oezzaa (twee afgodsbeelden van de heidense Arabieren)? En Manaat (een ander afgodsbeeld), de andere derde?” [Soerat an-Nadjm (53), aayah 19-20.]

<<< Al-Laat was een witte steen met inscripties. Er was een huis om al-Laat gebouwd in de stad at-Taa-if, met gordijnen, dienaren en een heilige tuin er om heen. Volgens ‘Abdoellaah ibn ‘Abbaas, Moedjaahid en ar-Rabi' ibn Anas, was al-Laat een man die sawiq (een soort van gerstepap) mengde met water voor de pelgrims tijdens de periode van Djaahiliyyah (Onwetendheid). Toen hij overleed bleven zij bij zijn graf en aanbaden hem.

Al-‘Oezzaa was een boom waaraan de afgodenaanbidders een gedenkteken en doeken bevestigden, in het gebied van Nakhlah, tussen Mekkah en at-Taa-if.

Manaat was een ander afgodsbeeld in het gebied van Mushallal, vlak bij Qudayd, tussen Mekkah en al-Medienah. Er waren veel meer afgodsbeelden op het Arabische schiereiland die de Arabieren vereerden, zoals zij de Ka'bah vereerden. Allah de Verhevene noemt deze drie hier omdat zij meer bekend waren dan de andere. >>>

Wat men verzonnen heeft, is een verhaal wat aangeeft dat de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) soerat an-Nadjm reciteerde aan de afgodenaanbidders totdat hij bij vers 19 en 20 aankwam. Vervolgens zou de satan woorden in de mond van de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) gelegd hebben (een duivelse openbaring), zonder dat de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) in de gaten had dat deze woorden van de satan waren, en hij zou na vers 19 en 20 gezegd hebben: “Zij (al-Laat, al-‘Oezzaa en Manaat) zijn de verheven gharaanieq (of hoogvliegende kraanvogels), op wier voorspraak gehoopt wordt.” De ongelovigen waren zeer tevreden met deze lofuiting van hun drie afgoden. Het wordt ook wel gezien als een tijdelijke concessie tegenover het Arabische polytheïsme van die tijd.

Volgens het verhaal van al-gharaanieq, zoals dat opgenomen is door at-Tabarie in zijn Tefsier en boek over de geschiedenis, zag de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) dat het volk van Mekkah hem de rug toekeerde en dat zijn van Allah ontvangen boodschap hen koud liet. Aldus verlangde de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) naar een boodschap van zijn Heer, waardoor hij zich kon verzoenen met de Mekkanen. Hij hoopte dat de hindernis die tussen hem en de Mekkanen stond zo kon worden weggenomen. Daarop daalde soerat an-Nadjm neer. Nadat hij de verzen “Hebben jullie (O afgodenaanbidders) dan nagedacht over al-Laat en al-‘Oezzaa? En Manaat, de andere derde?” had bereikt, legde Iblies op de tong van Moh'ammed (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem): “Zij zijn de verheven gharaanieq (of hoogvliegende kraanvogels), op wier voorspraak gehoopt wordt.”

Toen de afgodenaanbidders dit hoorden, waren zij dolgelukkig over de manier waarop de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) over hun goden sprak. Volgens het verhaal stemden de afgodenaanbidders door deze goddelijke status van hun drie afgoden in met toetreding tot de Islaam waardoor Moh'ammed's leger aanzienlijk versterkt werd. Zij zouden gezegd hebben: “We hebben altijd geweten dat Allah schept en leven geeft, dat Hij eten schenkt en opwekt. Maar onze goden bemiddelen voor ons bij Hem. Nu dat jij hen een plaats in jouw nieuwe religie gegeven hebt, zullen wij allemaal met jou zijn.”

Ook de gelovigen zouden - volgens dit verhaal - van mening zijn dat deze boodschap van de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) werkelijk het Woord van Allah de Verhevene was en de moslims die naar Ethiopië geëmigreerd waren, vertrokken weer naar Mekkah toen zij hoorden dat de Qoeraysh moslims geworden waren. Maar na enige tijd kwam Gabriël (vrede zij met hem) bij Moh'ammed (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) en vertelde hem dat hij woorden had gesproken die niet van Allah de Verhevene afkomstig waren maar van de satan. Het verhaal gaat als volgt verder: vervolgens kwam Djibriel (vrede zij met hem) bij de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) en zei tegen hem: “Wat heb je gedaan? Je reciteerde aan de mensen wat ik niet tot jou gebracht heb van Allah, en je zei dingen die Hij niet gezegd heeft.” De profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) werd hierdoor zeer verdrietig en bang. Als troost liet Allah hem weten dat alle profeten vóór hem ook wensen en verlangens hadden, die vervolgens door de satan op hun tong werden gelegd. Daarom zou het volgende vers uit soerat al-H'adj (22) nedergezonden zijn: “En Wij zonden geen enkele boodschapper of profeet van vóór jou, of de satan wierp – toen hij (de profeet of boodschapper, de openbaring) reciteerde – (enige valsheid) in zijn recitatie, waarna Allah teniet doet wat de satan (er in) wierp. Vervolgens bevestigt Allah Zijn verzen. En Allah is Alwetend, Alwijs.” [Soerat al-H'adj (22), aayah 52.]

De verzen waarover Allah de Verhevene zegt dat Hij ze zou bevestigen, zijn ongetwijfeld de verzen die Hij vervolgens openbaarden, om zo ongedaan te maken wat de duivel had gezegd over de afgoden van Mekkah. Dit gebeurde in het vervolg van soerat an-Nadjm #: “Zijn voor jullie de mannen en voor Hem de vrouwen? Dat is een oneerlijke verdeling! Zij (al-Laat, al-‘Oezzaa en Manaat) zijn slechts namen die jullie (de afgodenaanbidders) gaven – jullie en jullie vaders, waarvoor Allah geen bewijs neergezonden heeft. Zij volgen slechts het vermoeden en wat de zielen (zij zelf) begeren, terwijl werkelijk van hun Heer de leiding tot hen kwam.” [Soerat an-Nadjm (53), aayah 21-23.]

<<< # Ook al is er een enorm tijdsinterval tussen de openbaring van hoofdstuk 53 (an-Nadjm), van rond het vijfde jaar van de missie van Allah's boodschapper (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem), en die van hoofdstuk 22 (al-H'adj), ofwel het dertiende jaar van de Mekkaanse periode of (volgens een andere mening) in de begin periode van al-Medienah. >>>

Hierop zouden de Mekkanen gezegd hebben dat Moh'ammed (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) spijt had van wat hij over de afgoden had gezegd, en dat hij het daarom veranderde en met iets anders was gekomen.

Echter, dit hele verhaal is ongetwijfeld gebaseerd op een verzonnen overlevering (een mawdoe' h'adieth) en nu volgt een weerlegging van dit verzinsel.

Allah de Verhevene zegt in de Qor-aan: “Waarlijk, Wij zijn het Die ad-Dzikr (de Herinnering, de Vermaning: de Qor-aan) hebben neergezonden. En waarlijk, Wij zijn zeker Wakers daarover (tegen bederf).” [Soerat al-H'idjr (15), aayah 9.]

Hier belooft Allah de Verhevene ons dat Hij over de betrouwbaarheid van de Qor-aan waakt en dat Hij het zal beschermen.

Volgens het verhaal over al-gharaanieq zou het duivelsvers afgeschaft zijn (neskh) door vers 53:21-23. Maar als we naar de definitie van neskh in de islamitische wetenschappen kijken: “De afschaffing van een regel door een regel die erna geopenbaard is,” dan kan dit niet van toepassing zijn op het duivelsvers. Het zinsdeel “…van een regel…” beduidt dat neskh alleen geldt voor wetten (fiqh) en niet voor geloofsovertuigingen (‘aqiedah). Met andere woorden, neskh kan niet plaatsvinden met betrekking tot geloof in Allah de Verhevene, Zijn Namen en Eigenschappen, de Dag des Oordeels en andere zaken die verband houden met de fundamenten van geloof. En het hopen op de voorspraak van de drie afgoden in kwestie, is shirk (polytheïsme, afgoderij), de grootste zonde in het islamitische monotheïsme.

Als we naar de definitie van de Qor-aan kijken (zie az-Zarqaanie, v. 1, p. 21.): “De Qor-aan is de Arabische Spraak (Kalaam) van Allah, welke Hij openbaarde aan Moh'ammed (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) in bewoording en betekenis, en welke bewaard is gebleven in de masaah'ief (geschriften) en ons bereikt heeft door middel van moetawaatir overleveringen, en een uitdaging is voor de mensheid om iets vergelijkbaars voort te brengen,” dan zien we dat het duivelsvers hier niet aan voldoet. Want moetawaatir overleveringen zijn die overleveringen die op een zodanige manier en door zo veel mensen in elke generatie zijn doorgegeven dat het onmogelijk is dat er een fout is gemaakt of dat zij allemaal overeenkwamen om het te vervalsen. Dit is niet het geval bij de duivelsverzen.

De theorie van H'adieth en Asmaa-oe r-Ridjaal (tak van wetenschap over de goede en slechte eigenschappen van de overleveraars van de h'adieth) en dergelijke, werd door de moslims als wetenschap ingevoerd om de betrouwbaarheid van de overleveringen van de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) te waarborgen. De krachtige, stevige en onwrikbare principes, die de moslims toepasten voor onderzoek en gedetailleerde studie, zijn zo weergaloos dat de wereld deze in haar gehele bestaan nimmer eerder gekend heeft.

Terwijl andere volkeren hun boeken, zoals de Bijbel en de Mahabharata, beschouwen als een waardevol bezit waar men trots op is, zal een persoon die verder kijkt zich verbazen over hoe moslims alles tot in detail hebben vastgelegd en zelfs de ketens en eigenschappen van overleveraars hebben genoteerd. Het is zelfs bekend wie wat zei en wie bekend staat als betrouwbaar of twijfelachtig en over wie bekend is dat hij gelogen heeft of zich regelmatig vergiste.

Hoewel at-Tabarie het verhaal van al-gharaanieq vermeldde in zijn Tefsier en boek over de geschiedenis, zeiden Ibn Kethier en anderen met betrekking tot de overlevering in kwestie: “Er is geen sah'ieh' isnaad (authentieke keten van overleveraars) die deze overlevering verbindt met de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem).” [Hij zei ook dat alle overleveringen aangaande het verhaal van de gharaanieq en hoe velen van diegenen die geëmigreerd waren naar Ethiopië terugkwamen toen zij dachten dat de Qoeraysh moslims waren geworden, overgeleverd zijn door middel van moersal ketens van overleveraars en hij gaf aan dat niet een van hen beschouwd kan worden als sah'ieh' (authentiek). En Allah weet het best. Moersal (niet toegeschreven) is een h'adieth met de keten van vertellers eindigend bij een taabi'ie (volgeling), zonder de verwijzing naar de metgezel die het citeerde van de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem).]

As-Shawkaanie schreef dat “Ibn Khozaymah, de imaam der imaams, zei: ‘Dit verhaal is verzonnen door zindieqs (atheïsten).” Deze verklaring is de meest directe veroordeling van het verhaal. Andere imaams bekritiseerden het verhaal op technische gronden. Al-Bazzaar schreef: “Dit is een overlevering die toegeschreven is aan de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem), maar die niet steunt op een ononderbroken keten (van overleveraars).” Ook al-Bayhaqie geeft aan: “Dit verhaal kan niet authentiek verklaard worden met betrekking tot de isnaad (keten van overleveraars).”

Dit punt betreffende de isnaad is opgenomen door vele moslimgeleerden. Een enkeling, zoals Ibn H'adjar, in zijn commentaar op al-Boekhaarie, accepteert enigszins de betrouwbaarheid van het verhaal (maar met kanttekeningen). Vele anderen beoordelen het als een verzinsel verzonnen door de vijanden van de Islaam. Maar beide partijen zijn het eens dat geen theologische implicatie er uit volgt.

Ibn al-‘Arabie bespreekt in zijn boek Ah'kaamoe l-Qor-aan gedetailleerd de implicaties van dit verzonnen verhaal. Hij behandelt dit hele vraagstuk in tien punten (die echter te uitgebreid zijn om hier te behandelen) en Ibn al-‘Arabie's kritiek wordt geaccepteerd door de latere moslimgeleerden die dit onderwerp besproken hebben, zowel met betrekking tot h'adieth, tefsier als ook theologie.

Ibn al-‘Arabie begint zijn kritiek met het vaststellen van twee essentiële theologische punten:

a. Allah de Verhevene heeft Zijn boodschapper Moh'ammed (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) beschermd (en wat dat betreft al Zijn profeten en boodschappers) tegen ongeloof. Dit is de consensus van alle moslims. Iemand die dit betwist, begaat in feite zelf een daad van ongeloof.

b. De profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) ontving naast het ontvangen van Allah's openbaring door middel van de aartsengel Gabriël (vrede zij met hem), ook de mogelijkheid om die engel in kwestie te herkennen. Zonder die herkenning en zekerheid kan het profeetschap niet bewerkstelligd worden. Nadat deze herkenning eenmaal is bewerkstelligt, zal de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) in staat zijn de aartsengel duidelijk te onderscheiden van enig ander schepsel en de religie is veilig tegen enige bemoeienis van buitenaf.

Indien het mogelijk was dat de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) geen onderscheid kon maken tussen de aartsengel en enig ander schepsel (in dit geval de satan), zou hij nooit hebben kunnen zeggen: “Wat ik heb ontvangen is van Allah,” en zouden wij op onze beurt (alsook christenen en joden) niet zeker kunnen zijn dat de openbaring (aan welke profeet dan ook) van Allah de Verhevene is. Als het mogelijk geweest was voor de satan om zich in dit proces in te mengen, of om zichzelf als een engel te vermommen, zouden wij over geen enkel vers zekerheid hebben; noch zouden wij in staat zijn waarheid van valsheid te onderscheiden.

Na het vaststellen van deze twee basispunten, gaat Ibn al-‘Arabie verder met het vernietigen van het verhaal over al-gharaanieq. Hij geeft aan dat “degenen die zeggen dat satan deze woorden uitsprak en dat de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) ze van hem accepteerde en niet in staat was om tawh'ied (de eenheid van Allah) te onderscheiden van ongeloof, kunnen niet falen te beseffen dat dit een daad van ongeloof is, welke niet afkomstig kan zijn van de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem). Hoe kon de profeet zeggen dat ‘zij de hoogvliegende kraanvogels zijn, op wier voorspraak gehoopt wordt', terwijl hij absoluut zeker wist dat zij slechts onbezielde stenen beelden waren, onbekwaam om te zorgen voor enig voordeel of nadeel, hoewel Gabriël dag en nacht tot hem kwam met deze feiten over afgoden zoals hen?

De volledige uitleg van de theologische implicaties en tegenstrijdigheden van het verhaal werd echter overgelaten aan de student van Ibn al-‘Arabie, namelijk al-Qaadhie ‘Iyaadh, in zijn samenvatting as-Shifa Bitta'rifie bie H'oeqoeqie al-Moestafa (De Voldoening Schenkende Uitleg van de Rechten van de Uitverkorene). Naast de vele punten die al in dit artikel genoemd zijn, geeft hij onder andere ook aan dat de taalkundige constructie van de toegevoegde zinnen niet voldoet aan de hoge standaard van de Koranische constructie.

Al-Qaadhie ‘Iyaadh gaf ook aan dat als een dergelijk verhaal waar gebeurd zou zijn, het zeker niet onopgemerkt zou blijven bij de hypocrieten en de polytheïsten en zij zouden van zo'n mogelijkheid onmiddellijk gebruik gemaakt hebben om de gelovigen het doelwit te maken van hun beschimpingen, en de een of andere menselijke duivel of djinn zou dit gebruikt hebben om de apathische en zwakke moslims te misleiden. Maar een dergelijk incident, dat niet erg enthousiaste bekeerlingen de Islaam de rug toekeerden of iets dergelijks, wordt nergens genoemd.

Alle profeten, en vooral de profeet Moh'ammed (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem), waren onfeilbaar met betrekking tot het doorgeven van de boodschap die Allah aan hen openbaarde. Allah de Verhevene zegt: “Wij zullen jou (O Moh'ammed) de (de Qor-aan) laten reciteren, zodat jij (hem) niet zult vergeten.” [Soerat al-A'laa (87), aayah 6.]

Allah de Verhevene zegt ook: “Het is aan Ons om hem (de Qor-aan) te verzamelen en om hem te reciteren. Wanneer Wij hem dan gereciteerd hebben (aan jou, O Moh'ammed, via de engel Djibriel - Gabriël), volg dan zijn recitatie.” [Soerat al-Qiyaamah (75), aayah 17-18.]

En Allah de Verhevene zegt: “En als hij (profeet Moh'ammed) enkele uitspraken valselijk aan Ons had toegeschreven. Zouden Wij hem zeker bij de rechterhand gegrepen hebben #. Vervolgens zouden Wij zeker al-watien [de slagader (van zijn hart)] doorgesneden hebben.” [Soerat al-H'aaqqah (69), aayah 44-46.]

<<< # De rechterhand is de hand van kracht en handeling. Als iemand bij de rechterhand gegrepen wordt, kan hij niet meer handelen zoals hij wil of zijn doel verwezenlijken. Het argument is dat als een bedrieger zou verschijnen (waarvan de profeet Moh'ammed beschuldigd werd door zijn tegenstanders), hij snel door de mand zou vallen. Hij zou zijn bedrog niet onbegrensd voort kunnen zetten. Maar de profeten van Allah, hoezeer zij ook vervolgd werden, verwierven elke dag meer en meer macht. Zo ook de profeet Moh'ammed, wiens waarheid, eerlijkheid, oprechtheid en liefde voor alles en iedereen, erkend werd naarmate zijn leven zich ontvouwde. (A. Yusuf Ali Quran Commentary.) >>>

Het duivelsvers bevat shirk (polytheïsme, afgoderij), de grootste zonde in de Islaam. Het is echter een feit dat alle profeten en boodschappers van Allah beschermd werden tegen het begaan van grote zonden, dus ook shirk. Shaykh al-Islaam Ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn) zei in Madjmoe' al-Fataawa, 4/319: “De mening dat de profeten onfeilbaar zijn en beschermd tegen het begaan van grote zonden, in tegenstelling tot kleine zonden ##, is de mening van de meerderheid van moslimgeleerden en van alle groepen. Het is de mening van de geleerden van tefsier (uitleg van de Qor-aan) en h'adieth (overlevering) en foeqahaa-e (geleerden betreffende fiqh, de islamitische jurisprudentie). Werkelijk, er is niets overgeleverd van iemand van de selef ###, a-immah (imaams), sah'aabah (metgezellen), taabi'ien (volgelingen van de sah'aabah) en degenen die hen volgden behalve datgene wat in overeenstemming is met deze mening.”

<<< ## Waar zij niet in volharden en onmiddellijk berouw voor tonen, als voorbeeld voor de mensen (zie Fataawa al-Ladjnah al-Daa-imah, 3/194). >>>

<<< ### Selef: de eerste drie generaties van de moslimgemeenschap, dus de sah'aabah (de metgezellen van de profeet), hun volgelingen (de taabi'ien) en de leerlingen daarvan. >>>

Ook al zouden we omwille van de discussie toegeven dat deze overleveringen over al-gharaanieq sah'ieh' (authentiek) zijn, de geleerden hebben aangegeven dat in dit geval begrepen dient te worden dat de satan de koeffaar (ongelovigen) deze woorden liet horen, niet dat hij deze woorden in de mond van de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) legde waarna zij het van hem hoorde.

Bovendien gaf sheikh Moh'ammed ‘Abdoeh, de moeftie van Egypte ten tijde van de eeuwwisseling, aan dat het woord al-gharaanieq een woord is dat de Arabieren nergens gebruikten om hun goden te beschrijven, hetzij in hun poëzie of in hun toespraken. Nergens vinden we hun goden of godinnen omschreven met zulke woorden. Het woord al-ghoernoeq of al-gharaanieq is de naam van een zwarte of witte watervogel, een kraanvogel, en soms beduidt het figuurlijk een aantrekkelijke blonde jongere. Het is overduidelijk dat de Arabieren niet op zo'n manier naar hun goden keken.

De Qoeraysh deden regelmatig voorstellen om de profeet Moh'ammed (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) concessies te laten doen. Zo zonden zij, bijvoorbeeld, ‘Oetbah ibn Rabi'ah naar de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) met een voorstel: “…als jij, door wat jij doet, rijkdom wenst, zullen wij jou genoeg geven zodat jij de rijkste man onder ons zult zijn; als jij een belangrijke man wilt worden, zullen wij jou onze leider maken en nooit een kwestie beslissen zonder jou; als jij een koning wilt zijn, zullen wij jou als onze koning accepteren…” [Overgeleverd door Moh'ammed ibn Ish'aaq, de eerste biograaf van de profeet (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem), op gezag van Moh'ammed ibn Ka'b al-Qoerzie, een belangrijke volgeling (taabi'ie) van de metgezellen.] Maar hij weigerde standvastig al deze verleidingen door de bescherming van Allah de Verehvene: “En waarlijk, zij hadden jou bijna verleidt van hetgeen Wij aan jou openbaarden (O Moh'ammed), zodat jij iets anders zou verzinnen over Ons, en zij zouden jou dan genomen hebben als een boezemvriend. En als Wij jou niet bijgestaan hadden, zou jij werkelijk haast een beetje tot hen geneigd hebben.” [Soerat al-Israa-e (17), aayah 73-74.]

Vanuit een puur menselijk oogpunt kan het een tactiek lijken om een “kleine” concessie te doen om zo een goddelijke missie te vervullen. Want eenmaal aan de macht, op een invloedrijke positie, zou men de mogelijkheid hebben om te doen wat men anders niet zou kunnen doen. Althans, de menselijke zwakheid neigt naar deze gedachte, want macht, een invloedrijke positie en rijkdom zullen op zichzelf niets baten als men tornt aan Allah's bevel. Maar de boodschapper Moh'ammed (Allah's zegeningen en vrede zijn met hem) werd speciale kracht en standvastigheid gegeven om zulke verleidingen te weerstaan.

Vers 52 van soerat al-H'adj (22) is reeds aangehaald: “En Wij zonden geen enkele boodschapper of profeet van vóór jou, of de satan wierp – toen hij (de profeet of boodschapper, de openbaring) reciteerde – (enige valsheid) in zijn recitatie, waarna Allah teniet doet wat de satan (er in) wierp. Vervolgens bevestigt Allah Zijn verzen. En Allah is Alwetend, Alwijs.”

Sheikh ‘Abdoe r-Rah'maan ibn Sa'die gaf in zijn Taysier al-Kariem ar-Rah'maan fie Tefsier Kalaam al-Mannaan aan dat dit begrepen dient te worden als dat de satan de desbetreffende profeet of boodschapper trachtte te verwarren tijdens diens recitatie van Allah's Boek zodat hij abusievelijk een woord verwisselde of verkeerd uitsprak zodat de betekenis veranderde. Maar Allah stopte dit en liet zijn gezant het onmiddellijk herstellen zodat de waarheid bevestigd werd: “Zodat Hij wat de satan inwerpt als een beproeving maakt voor degenen in wier harten een ziekte is (de hypocrieten) en wier harten verhard zijn (de afgodenaanbidders). En waarlijk, de onrechtvaardigen zijn zeker in vergaande onenigheid (misleiding, oppositie jegens de waarheid, Allah's gezanten en de gelovigen).  En zodat degenen die kennis gegeven is (waarmee zij onderscheid kunnen maken tussen waarheid en valsheid), zullen weten dat het de waarheid van jouw Heer is, zodat zij erin geloven en zij hun harten aan Hem onderwerpen. En waarlijk, Allah zal de gelovigen zeker leiden op een recht pad. En degenen die niet geloven zullen erover in twijfel blijven totdat het Uur onverwachts tot hen komt, of de bestraffing van een ellendige Dag (de Dag der Opstanding) hen treft.” [Soerat al-H'adj (22), aayah 53-55.]

Allah de Verhevene zegt hier dat de ongelovigen zullen blijven twijfelen over de Qor-aan, want: “Zij zijn degenen wier harten en gehoor en ogen Allah verzegeld heeft (waardoor zij onontvankelijk worden voor de waarheid) en zij zijn het die onachtzaam zijn (jegens de werkelijkheid, en rennen dus overijld naar de verdoemenis).” [Soerat an-Nah'l (16), aayah 108.]

En Allah is de Bron van succes.

 
naar boven Naar overzicht artikelen