Artikelen---Waarom moslims niet geloven in democratie---deel 2

 

Deel 2: Islaam en democratie

Uit het maandblad Wij Moslims (november 2002) van Uitgeverij Momtazah (www.momtazah.net)
Door: Abdul-Jabbar vd Ven

Waarom democratie koefr (ongeloof) is

In het vorige deel over democratie hebben we reeds de onpraktische kanten gezien van het democratische systeem, zonder verder in te gaan op de vraag in welke mate het systeem van democratie te verenigen valt met de Shari'ah (Wetten) van Allah. Dat is het punt waar we deze keer naar gaan kijken, namelijk: valt de democratie wel te verenigen met de Islamitische wetgeving?

Zoals de titel boven dit artikel reeds aangeeft is het antwoord op deze vraag duidelijk “nee”! Wanneer ik dit zeg in discussies met ongelovigen en afgedwaalde moslims, begrijpt men uit deze opmerking vaak meteen dat ik “dus voor dictatuur en onderdrukking ben”, want dat is waar men aan denkt wanneer iemand zegt tegen democratie te zijn. Deze reactie toont aan hoezeer deze personen reeds geïndoctrineerd zijn met het idee dat democratie gelijk staat aan vrijheid, blijheid en gerechtigheid, en alles dat daar van afwijkt gelijk moet staan aan dictatuur en onderdrukking. Het mag dan ook geen wonder heten dat veel van deze mensen onnadenkend met de Amerikaanse kudde mee rennen wanneer die weer eens een land platbombarderen om “de democratie te verdedigen”, zoals ze dat deden in Vietnam, Afghanistan en vele andere derde wereldlanden. Dat ze ondertussen hierin radicaler en meer fundamentalistisch zijn geworden dan veel van hun tegenstanders, zien ze over het hoofd, want een democraat kan immers niet radicaal en fundamentalistisch zijn; dat zijn alleen de moslims.

Wanneer ik zeg dat democratie niet valt te verenigen met de Islamitische wetgeving, moet ik er in één adem aan toevoegen dat socialisme, fascisme, communisme, zionisme, Boeddhisme, of welke andere menselijke ideologie dan ook, evenmin te verenigen is met de Shari'ah van Allah (Verheven en Geprezen is Hij). Meestal krijg ik echter de kans niet meer om dit er aan toe te voegen, nadat die “verschrikkelijke” uitspraak over democratie reeds uit mijn mond is gekomen. Wat men ook niet wil horen, is dat de Islamitische Shari'ah beter en completer is dan al deze ideologieën, en dat de democratie juist een armzalig systeem is in vergelijking met de Islamitische Shari'ah. Dat een afwijzing van democratie automatisch een afwijzing van mensenrechten en gerechtigheid zou zijn, is een dus een hele slechte grap, of anders een uitspraak van een onwetend persoon.

Niet alleen is het h'araam (verboden) voor een moslim om een ander systeem te verkiezen boven de Islamitische Shari'ah; het is zelfs een daad die hem buiten de Islaam kan sluiten en hem tot kaafir (ongelovige) kan maken, en de bewijzen hiervoor uit de Islamitische bronnen zijn zelfs te veel om op deze paar pagina's te vermelden. Onze geliefde profeet Moh'ammed r heeft samen met zijn Sah'aabah (metgezellen) zijn bloed, zweet en tranen gegeven voor het vestigen van een Islamitische staat op het Arabische schiereiland, maar deze onwetende mensen pleiten voor een scheiding van religie en staat, terwijl ze nog beweren moslims te zijn. Een ieder die de Qor-aan en de Soennah een beetje kent, weet dat er talloze wetten in staan vermeld die we toe behoren te passen in ons dagelijkse leven. Veel van die wetten slaan op onze persoonlijke privé-sfeer, zoals de omgang met onze buren en echtgenotes, of hoe we een toilet zouden moeten bezoeken. Maar andere wetten slaan op de staat, en moeten door de staat voltrokken worden. Een voorbeeld hiervan is de volgende aayah (38) uit Soerah al-Maa'idah (5), waarin Allah de Verhevene zegt: “En de dief en de dievegge; houwt hun handen af als een vergelding vanwege (de misdaad) die zij begingen, als een voorbeeld van bestraffing van Allah. En Allah is Almachtig, Alwijs.”

Alleen al in deze aayah zien we een BEVEL van Allah om hun hand af te zetten, wat betekent dat er dus een bepaalde autoriteit moet zijn die deze straf voltrekt. Het zou belachelijk zijn om te denken dat deze aayah voor de dief zelf bedoeld is, dus dat hij uit zichzelf een mes zou pakken om zijn eigen hand te amputeren, en vele andere voorbeelden hiervan kunnen genoemd worden in dit geval. Moet de overspelige echtgenoot zichzelf stenigen, en moet de dronkaard zichzelf slaag geven? Natuurlijk moet hiervoor een autoriteit zijn, die deze straf voltrekt nadat de persoon in kwestie schuldig is bevonden na een eerlijke rechtzaak. Alleen dit feit is al genoeg om het idee van scheiding van religie en staat te ontwrichten, maar daarbuiten zijn er nog vele bewijzen die aantonen dat het regeren met iets anders dan de Islamitische Shari'ah zonder twijfel h'araam is.

Alleen al in Soerah al-Maa'idah (5) kunnen we tientallen ayaat aanhalen die dit punt overduidelijk naar voren brengen. Zo zegt Allah de Verhevene in aayah 44 van deze Soerah: “...en wie niet oordeelt met wat Allah neer gezonden heeft; zij zijn de ongelovigen!”

Vandaag de dag is er een grote groep misleide moslims die bij het horen van deze aayah meteen opspringen uit hun stoel, om aan te komen met de bekende uitspraak van de metgezel Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) bij deze aayah, waarin hij zei dat het regeren met andere wetten dan die van Allah “kleine koefr” (klein ongeloof) is, die een persoon nog niet tot ongelovige maakt (“koefr doena koefr”). Aangezien deze uitspraak vaak verkeerd wordt begrepen en uit zijn context wordt gehaald, lijkt het me verstandig om hier even dieper op in te gaan. Ten eerste is het bekend onder de geleerden dat er een zwakte zit in de keten van overleveraars van deze uitspraak, maar om daar nu op in te gaan is niet het juiste moment. Ten tweede moet men weten, dat als men deze uitspraak toch wil gebruiken als bewijs, er nog enkele grote obstakels overblijven. Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) deed deze bekende uitspraak in een bepaalde periode en omstandigheid, en kan zeker niet als een algemene uitspraak worden gebruikt voor het verdedigen van leiders van vandaag de dag. Hij deed deze uitspraak in de rumoerige periode waarin er onenigheid was ontstaan tussen Moe'aawiyah en ‘Aliy ibn Abie Taalib (moge Allah tevreden met hen zijn) over wie er recht had op het khalifaat. Om het geschil op te lossen hadden beide Sah'aabah een scheidsrechter naar voren geschoven; Aboe Moesa al-Ash'arie voor ‘Aliy en ‘Amr ibn al-‘Aas voor Moe'aawiyah (moge Allah tevreden met hen zijn). Toen deze twee scheidsrechters een beslissing velden die enkele opstandelingen niet aanstond, haalden deze opstandelingen bovengenoemde aayah aan en verklaarden daarmee Aboe Moesa al-Ash'arie en ‘Amr ibn al-‘Aas (moge Allah tevreden met hem zijn) tot ongelovigen. Als antwoord op deze verkeerde interpretatie van de aayah deed Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) zijn uitspraak over “kleine koefr”, ter verdediging van Aboe Moesa en ‘Amr ibn al-‘Aas (moge Allah tevreden met hen zijn).

De situatie waarin deze uitspraak tot stand kwam was dus heel anders dan die we vandaag de dag bij de leiders van onze landen aantreffen. Deze Sahaabah zetten niet de Shari'ah aan de kant en zij veranderden haar wetten niet. Het is zelfs zo dat er een andere uitspraak van deze zelfde Ibn ‘Abbaas bestaat (moge Allah tevreden met hem zijn), bij dezelfde aayah, waarin hij zegt dat het “genoeg koefr” is wanneer iemand niet rechtspreekt met wat Allah de Verhevene geopenbaard heeft. “Genoeg koefr” betekent hier grote koefr, dat een persoon buiten de Islaam sluit, en de bewijzen hiervoor zijn veelvuldig. Zo is het bijvoorbeeld een bekend feit bij de geleerden dat de uitspraak van één, of enkele metgezellen, niet genoeg is om een algemene aayah specifiek te maken, tenzij er een andere, bevestigende aayah bestaat die zijn uitspraak ondersteunt, of een betrouwbare h'adieth (overlevering), of overeenstemming van de geleerden (idjmaa'). Aangezien dit niet het geval is met bovengenoemde aayah (in tegendeel), kunnen we dus niet zeggen dat één uitspraak van een metgezel de algemene en duidelijke betekenis van de desbetreffende aayah kan veranderen.

Deze regel noemen we “laa yasloeh' moekhasisan liel-Qor'aan”. Dit betekent niet dat de uitspraak van Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) fout hoeft te zijn, maar hij en de andere metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn) begrepen de betekenis ervan in zijn juiste context in de omstandigheden en tijd waarin de uitspraak is gedaan. Die omstandigheden vallen geenszins te vergelijken met die van vandaag de dag, waarin we onze misdadige leiders zien regeren met andere wetten dan die van Allah (Glorieus en Geprezen is Hij) en Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem), en een deel van de Shari'ah vervangen door wetten die zijn genomen uit de Franse, Zwitserse of Britse wet, of uit het socialisme of hun eigen influisteringen. Wie dit doet is zonder twijfel een kaafir (ongelovige), zoals we dadelijk nog zullen zien uit de uitspraken van verschillende grote geleerden.

Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden zijn met hem) is ver verwijderd van diegenen die vandaag de dag zijn woorden gebruiken om de ongelovige leiders te beschermen. Toen Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) met enkele andere metgezellen van mening verschilde over het offeren van een lam, haalde hij ayaat uit de Qor-aan aan en uitspraken van de profeet (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem). De andere metgezellen zeiden daarop: “Aboe Bakr en ‘Oemar hebben het nooit gezegd of het verplicht genoemd.” Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) sprak daarop zijn beroemde uitspraak uit: “Ik vertel jullie ‘Allah en de boodschapper hebben gezegd', maar jullie zeggen ‘Aboe Bakr en ‘Oemar hebben gezegd'. Zijn jullie niet bang dat de hemelen op jullie hoofd neer zullen storten?!” (Dit is een betrouwbare overlevering.) Zou deze zelfde Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) dan blij zijn om te zien dat zijn naam vandaag de dag gebruikt wordt tegen beslissende en duidelijke ayaat van de Qor-aan in?!

Aangehaalde aayah (5:44) is echter lang niet de enige aayah die ons aanspoort tot het rechtspreken met de Islamitische Shari'ah alleen. Ook in de volgende aayah (5:45) zegt Allah de Verhevene om het verbod nog eens te benadrukken: “...en wie niet oordeelt met wat Allah neer gezonden heeft, zij zijn de onrechtvaardigen!” Alsof deze woorden nog niet duidelijk genoeg zijn, zegt Allah de Verhevene slechts twee ayaat verder (5:47): “...en wie niet oordeelt met wat Allah neer gezonden heeft, zij zijn de zware zondaren.” Wederom twee ayaat verder (5:49) geeft Allah de Verhevene Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) het duidelijke bevel om te regeren met de Islamitische Shari'ah, wanneer Hij zegt: “En oordeel onder hen met wat Allah neer gezonden heeft, en volg niet hun begeerten...” In de aayah die daarop volgt (5:50), lezen we dat Allah de Almachtige zegt: “Zoeken zij dan de wet van de djaahiliyyah (de tijd van onwetendheid vóór de Islaam)? En wie is er beter dan Allah in het oordelen voor het overtuigde volk?” De grote, vroegere geleerde Al-H'assan al-Basrie zei hierover: “Wie rechtspreekt met iets anders dan de Shari'ah van Allah, wenst de rechtspraak van de djaahiliyyah.” De grote tafsier-geleerde Ibn Kethier, zegt in zijn commentaar op deze aayah: “Hij, de Verhevene, verwerpt degene die de rechtspraak van Allah in de steek laat, die alles omvat wat goed is, en alles verbiedt wat slecht is, en die zijn toevlucht zoekt bij alles wat daar van afwijkt, met (eigen) meningen, verlangens en terminologieën die mensen hebben verzonnen zonder basis daarvoor te hebben in de Shari'ah van Allah. Zoals de mensen in de djaahiliyyah rechtspraken met afdwalingen en onwetendheid, van waaruit ze verzonnen met hun (eigen) meningen en verlangens, en waarmee de Tataren rechtspreken met hun koninklijke politieke ideeën die genomen zijn van hun koning Djengis Khaan, die voor hun “Al-Yaasiq” bedacht heeft. Dat is een benaming voor een boek dat samengesteld is van verschillende wetboeken; de joodse en de christelijke en de Islamitische religie, en andere dan deze (drie). Er staan tevens veel wetten in die hij genomen heeft van zijn eigen inzichten en influisteringen. Het werd een rechtspraak die gevolgd werd door zijn nakomelingen, die ze prefereren boven de rechtspraak van het Boek van Allah en de Soennah van Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem). Wie dit doet (en zich er bewust van is) is een kaafir (ongelovige), en het is verplicht (waadjib) om hem te bestrijden tot hij terugkeert naar de rechtspraak van Allah de Verhevene en Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem), en dat hij niet rechtspreekt met iets anders dan dat; of het nu weinig is of veel.”

Deze fatwa slaat ook op de leiders van onze landen vandaag de dag, al proberen sommigen dit feit te weerleggen met enkele zwakke argumenten. Helaas is de ruimte hier te beperkt om verder op die argumenten in te gaan, maar de woorden van deze grote geleerde, Ibn Kethier, zeggen genoeg. Bovendien is dit niet de enige fatwa die deze shaykh heeft uitgesproken over dit vraagstuk, en zijn er vele andere te vinden die onze beweringen ondersteunen. Als we bijvoorbeeld naar de woorden van Allah kijken in aayah 121 van Soerah Al-An'aam (6): “...en als jullie hen gehoorzamen, dan zullen jullie zeker moeshrikoewn (polytheïsten, veelgodenaanbidders) worden.” Ibn Kethier schrijft in zijn uitleg bij deze aayah: “Als jullie het gebod van Allah aan jullie en Zijn Wetgeving in de steek laten voor de uitspraak van iemand anders dan Hem, en jullie verkiezen iets anders buiten Hem, dan is dit de werkelijke Shirk (afgoderij), zoals de woorden van Allah: “Zij hebben hun schriftgeleerden en hun monniken tot heren naast Allah genomen...” (Soerat At Taubah (9), aayah 31) En At-Tirmidhie heeft overgeleverd van ‘Adi ibn Haatim (moge Allah tevreden met hem zijn) in zijn tafsier van deze aayah dat hij heeft gezegd: “O boodschapper van Allah, zij aanbaden hen niet!” Daarop zei Allah's boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem): “Dat deden zij zeker wel. Ze hebben datgene wat h'araam (verboden) was halaal (toegestaan) voor hen gemaakt en datgene wat halaal was h'araam voor hen gemaakt, en zij volgden hen daarin. Dat is hun aanbidding van hen.” Voor zover de uitleg van Ibn Kethier bij deze aayah.

Men zou kunnen stellen dat hij de enige geleerde was die van mening was dat degene die niet rechtspreekt met de Shari'ah een kaafir is, maar dit is zeker niet het geval. Er zijn tientallen overduidelijke fatwa's aan te halen van grote geleerden van vroeger en vandaag de dag, die zijn mening onderschrijven. Zo heeft de grote geleerde, Moeh'ammed Al-Amien Ash-Shanqietie gezegd in zijn bekende tafsier-werk “Adwaa-oel-Baayahan”: “Het toekennen van deelgenoten aan Allah (Shirk) in Zijn “hoekm” (rechtspraak), is als het toekennen van deelgenoten aan Hem in aanbidding (‘ibaada).” Voor zover de woorden van Ash-Shanqietie, en ook zijn duidelijke uitspraken over dit onderwerp zijn er veel.

In Soerah Al-Baqarah (2) ayaat 278-279, lezen we de volgende woorden van Allah de Verhevene: “O jullie die geloven, vrees Allah en geef op wat er van (het vragen van) rente overblijft, als jullie gelovigen zijn. ` En wanneer jullie (dit) niet doen, wees dan op de hoogte van de oorlog van Allah en Zijn boodschapper…” De grote geleerde Ibn Taymiyyah zegt in zijn fataawa (deel 28, pag. 544) bij deze aayah: “En deze aayah was neer gezonden aangaande de mensen van Taa'if, toen ze de Islaam omhelsden en hun gebeden en vasten onderhielden, maar weigerden om de rente af te schaffen. Aldus verklaarde Allah dat zij vijanden waren van Allah en Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem). Als het waadjib (verplicht) was om Djihaad te voeren tegen al deze vijanden van Allah de Verhevene en Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem), wat denk je dan van diegenen die veel van de wetten van de Islaam achterwege laten, of de meeste wetten ervan, zoals de Tataren?” Voor zover de fatwa van deze grote geleerde.

Vandaag de dag weigeren de leiders van onze landen niet alleen om de rente af te schaffen; ze worden er zelfs rijk aan. Zelfs in Medinah en Mekkah zul je talloze Europese en Amerikaanse banken aantreffen die met rente werken. En dat niet alleen: er bestaan zelf wetten in enkele landen van de moslims waarmee de overheid deze rentebanken bescherming biedt tegen de opkomende Islamitische banken en hen een voorkeurspositie geeft ten opzichte van deze Islamitische banken! Als rente het enige probleem was van deze Oemmah (gemeenschap), dan viel het nog wel mee, maar buiten dat zijn er nog tientallen wetten in elk land die recht tegen de Shari'ah van Allah de Verhevene ingaan. Zo mogen onze zusters in Tunesië of Turkije bijvoorbeeld niet eens met hoofddoek op naar school, en worden zij zelfs gestraft als ze dat wel doen! En als een man een tweede vrouw trouwt, kan hij in sommige landen een fikse gevangenisstraf tegemoet zien, terwijl overspel in datzelfde land ongestraft blijft. Deze duivels ontwerpen zijn niet alleen wetten die tegen de wetten van Allah de Almachtige ingaan, maar dwingen de mensen zelfs met kracht om deze wetten te volgen.

De grote geleerde en voormalig moeftie van Saoedi-Arabië, Moeh'ammed ibn Ibraahiem aal-Ash-Sheikh (moge Allah hem genadig zijn), heeft hierover gezegd in zijn bekende fatwa over "koefr doewna koefr” (kleine koefr - zie boven): “Dat wat is omschreven als kleine koefr, is als iemand een geschilpunt verwijst naar iets anders dan het Boek van Allah, terwijl hij weet dat hij Allah ongehoorzaam is door dit te doen, en dat de wetten van Allah waarheid zijn, en hij doet dit eenmalig. Zo'n persoon begaat geen grote koefr. Maar wat betreft degenen die wetten maken en deze aan anderen opleggen: dit is ongeloof, zelfs als ze toegeven dat ze een fout hebben begaan en dat de wetten van Allah de Almachtige rechtvaardiger zijn; en zo'n geval wordt beschouwd als een vorm van ongeloof die iemand tot afvallige maakt.”

Er zijn enkele afgedwaalde moslims geweest die geprobeerd hebben deze bekende fatwa een andere betekenis te geven en haar woorden te verdraaien, maar hun valse leugens en afdwalingen zijn blootgelegd door de grote ‘oelemaa (geleerden), omdat Allah Zijn Dien zal blijven beschermen en behouden via deze erfgenamen van de profeten.

Er zijn nog vele pagina's te vullen met ayaat, ah'adieth en fatwa's van de grote ‘oelemaa, om te bewijzen dat het regeren met iets anders dan de Islamitische Shari'ah h'araam is, maar helaas is de ruimte hiervoor te beperkt. Ik zal afsluiten met nog 2 fatwa's, waarvan de eerste is van de geleerde ‘Abdoer-Rah'maan As-Sa'die, uit zijn boek “Al-qawl as-sadied ‘ala kietaab it-tawhied”: “En het is een plicht voor elk individu, dat hij buiten Allah geen rechter neemt, en dat hij datgene waar de mensen over van mening verschillen, verwijst naar Allah en Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem). En op die manier zal de godsdienst van de dienaar volledig voor Allah zijn, en zijn tawhied oprecht voor het welbehagen van Allah. En een ieder die zijn oordeel zoekt in iets anders dan de rechtspraak van Allah en Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem), heeft zijn oordeel gezocht bij de taaghoewt (afgoden). En als hij beweert dat hij een moe'min (gelovige) is dan liegt hij, omdat imaan (geloof) niet correct en compleet is behalve door de rechtspraak van Allah en Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem) aangaande de fundamenten van het geloof en de bijzaken... Dus wie zijn oordeel zoekt bij een ander dan Allah en Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem), heeft dat tot zijn heer genomen en heeft zijn oordeel gezocht bij de taaghoewt.”

Deze woorden van waarheid worden vandaag de dag als “radicalisme” gezien door velen, zelfs door personen die beweren moslim te zijn. Zij zijn het die schreeuwen om democratie, en tegelijkertijd elke aanhanger van de Shari'ah als achterlijk en ouderwets bestempelen. Voor hen en voor ons allemaal sluit ik dit betoog af met de beste woorden die een mens kan gebruiken in zijn betoog, en dat zijn de woorden van Allah de Verhevene. Onze Heer heeft gezworen bij Zichzelf toen Hij zei: “Maar nee, bij jouw Heer, zij geloven niet totdat zij jou (Moh'ammed) laten oordelen over waar zij van mening verschillen en dan in zichzelf geen weerstand vinden tegen wat jij oordeelde, en zij aanvaarden het dan volledig.” (Qor-aan, Soerat An Niesaa (4), aayah 65)

De grote, vroegere geleerde, Ibn Hazm, heeft op grond van deze aayah een ieder tot kaafir verklaard die bij meningsverschillen niet oordeelt met Qor-aan en Soennah, maar met andere meningen dan dat. Zo zegt hij in “Al-Ihkaam fie oesoel al-ahkaam”: “...laat hem weten dat Allah de Verhevene heeft gezworen, en Zijn Uitspraak is de Waarheid; hij is geen gelovige, en Allah de Verhevene had gelijk. En als hij geen gelovige is, dan is hij een kaafir, en er is geen mogelijkheid voor een derde onderverdeling.”

Dit zijn duidelijke bewijzen uit de woorden van Allah de Verhevene en Zijn boodschapper (Allah's vrede en zegeningen zijn met hem), en de woorden van de grote geleerden van deze Oemmah. We zouden nog pagina's door kunnen gaan met het aanhalen van deze bewijzen, maar de boodschap blijft dezelfde: regeren met iets anders dan de Islamitische Shari'ah is een grote zonde voor een moslim, en het kan hem zelfs tot ongelovige maken. Stel jezelf tot slot eens deze simpele vraag: hoe kan een moslim in een parlement gaan zitten om te stemmen over zaken waar Allah reeds over gestemd heeft?!

Waarlijk, zij die dit beweren zijn ver afgedwaald...

Een moslim die voor democratie pleit, is als een miljonair die zijn diamanten wil ruilen tegen glazen knikkers, en als de bezitter van een oase die zijn grond verruild heeft voor een stuk dorre woestijn.

 
Naar: deel 1
naar boven

Naar: index Waarom moslims niet geloven in democratie
Naar: deel 3